gedicht van de week (13)- Toon Tellegen - Heel toevallig

gedicht van de week (13)- Toon Tellegen - Heel toevallig
EN  HEEL  TOEVALLIG

En heel toevallig, op een ochtend,
een ochtend van niets,
vergat ik nog lang en gelukkig te leven,

Ik dacht: wat ben ik nu toch vergeten ?
Ik ging alles na wat ik bezat,
klampte me aan vermoedens vast,
wees onwaarschijnlijkheden slechts met moeite af,
trok rimpels, beet op nagels,
draaide seconden om en om,
zei: desnoods... of: wat er ook gebeurt...
of: ik zal...
had overal alles voor over,

maar ik vond niet wat het was
wat ik toen die ochtend,
toevallig vergat.
Toon Tellegen, Er ligt een appel op de schaal.


 
 
gedicht van de week (12)- Ed Hoornik - Hebben en zijn

gedicht van de week (12)- Ed Hoornik - Hebben en zijn
Hebben en zijn
 
Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn.
 
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven de dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.
 
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
 
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.
 
 
Ed Hoornik (1910- 1970)
Uit: Het menselijk bestaan (1952)
 
 
gedicht van de week (11)- Luciberts - Visser van Ma Yuan

gedicht van de week (11)- Luciberts - Visser van Ma Yuan
VISSER VAN MA YUAN

onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser


Lucebert (1924- 1994)
Uit: Gedichten 1948-1963 (verzamelbundel 1965)
 
 
Gedicht van de week (10) Hans Andreus- voor eendag van morgen

Gedicht van de week (10) Hans Andreus- voor eendag van morgen
“Voor een dag van morgen”

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de bomen valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man alleen maar een vrouw,
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.

Hans Andreus ( 1926 – 1977)
Uit: Al ben ik een reiziger (1959)
 
 
Gedicht van de week (9) Herman Gorter- de Mei Gedicht van de week (9) Herman Gorter- de Mei
Officieel is op 21 maart  de lente begonnen en allemaal kennen we die beroemde versregel van Herman Gorter: “Een nieuwe lente en een nieuw geluid”.
Het is de eerste regel van zijn beroemde epos “Mei”.
Maar bijna niemand weet hoe het gedicht verder gaat…
Het telt maar liefst 4381 versregels. Het verscheen in 1889.  Het moest vooral de lente en de zomer, de natuur en de zintuiglijke indrukken zo beeldend mogelijk uitdrukken. De jonge Mei is de dochter van de Zon en de Maan en ze wordt verliefd op de jonge god Balder…  Hieronder de eerste pagina.
Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht,
In een oud stadje, langs de watergracht --
In huis was 't donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels in mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zoo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In 't boschje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald' over de bruggen, op den wal
Van 't water, langzaam gaande, overal
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
Van eigen blijheid om de avondrust.
En menig moe man, die zijn avondmaal
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,
Talmde een pooze wijl de jongen floot.
Zóó wil ik dat dit lied klinkt, er is één
Die ik wèl wenschte dat mijn stem bescheen
Met meer dan lachen van haar zachte oog...
Heil, heil, ik voel hier handen en den weeken boog
Van haren arm. Een koepel van blind licht,
Mild nevelend, omgeeft mijn aangezicht,
Mijn stem brandt in mij als de geele vlam
Van gas in glazen kooi, een eikenstam
Breekt uit in twijgen en jong loover spruit
Naar buiten: Hoort, er gaat een nieuw geluid:
Een jonge veldheer staat, in 't blauw en goud
Roept aan de holle poort een luid heraut.

Herman Gorter (1864-1927)
Mei (1889)
 
 
Gedichten van de week(8)

Gedichten van de week(8)
Moederliefde
 
Het geheugen werkt vaak fotografisch.
Een beeld van vroeger is er plots weer.
Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste
om even een korte rustpauze te houden.
De moeder zit nog steeds op dezelfde stoel.
Haar gezicht kun je dichterbij halen.
Dan zie je hoe over haar ogen
een dun laagje vocht ligt en trilt,
nog geen echte tranen, maar toch,
iets als een pril begin van verdriet.
 
Haar handen liggen in haar schoot,
lichtbruin, als gevallen bladeren,
wegzakkend in een wolk van weemoed.
En ik, nog een kind, leg het hoofd
met de rode schram over de wang
op de harde rondingen van haar knieën.
Jaren later laat zij mij los en leer ik
de eenzaamheid van de volwassenen.
 
 Willem M. Roggeman (1935)
uit: Het nut van de poëzie (2003)

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
Kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Martinus Nijhoff (1894-1953)
Uit: Nieuwe gedichten (1934)
 
 
gedicht van de week(7)

gedicht van de week(7)
De gestorvene

Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zeven maal, om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.


Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit de bundel De Slechtvalk (1966)
lees meer ยป
 
gedicht van de week(5)

gedicht van de week(5)
Christus als hovenier

Zij dacht dat het de hovenier was.
Joh. 20: 15
 
Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was een hovenier.
 
En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en–wat terzijde–in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.
 
O kinderdroom van groen en goud¬–
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.
 
Hij is de hovenier.
 
Ida Gerhardt (1905 – 1997)
 
Uit: De hovenier (1961)
Opgenomen in Verzamelde gedichten,
Atheneum – Polak & Van Gennep, 1985
 
gedicht van de week(6)

gedicht van de week(6)
Als het goed is
 
denk je: hij speelt maar dat hij speelt
vergeet je dat het pas bedacht is
door iemand opgeschreven
 
weet je dat dit er altijd was
geen nieuwe draai eraan te pas kwam
 
je voelt je er meteen in thuis
hoewel je er nooit eerder was
herkent de plek waar alles staat
de stem waarmee het wordt gezegd
 
je wilt je erin mengen
je onderscheidt geen schril contrast
met wat je toch aldoor al dacht
en hoe ze dat nu brengen
 
doe je je best niet achteraf
maar ga je door met het gesprek
alsof het nog niet af was
 
heb je gelijk en ongelijk
in hoop en wanhoop tegelijk
voorgoed en even tijdelijk
 
 
Judith Herzberg (1934)
uit: Vormen van gekte (2019)
 

 
 
Gedicht Peter Verhelst - voor het vergeten -

Gedicht Peter Verhelst - voor het vergeten -
VOOR HET VERGETEN

Zolang we niet vergeten, gaat niets verloren.

Laten we dus vergeten, maar alleen
zoals we door te praten iets uiterst traag kunnen laten verdwijnen – daar,
zie je het, zie je het nog nauwelijks, tegen de zon in?

Zolang we niet vergeten dat iets van ons niet verloren mag gaan, eindelijk –

zoals er een zwijgen bestaat dat tegelijk een vorm is van zingen
dat een vorm is van dragen, een lichaam zo te dragen
dat het door ons heen, alsof het uiterst traag voorover valt, iets als glas
onder vel, broos glas, misschien is dat het lichaam
dat als een wijnglas zingend
zwijgend gedragen wil worden, dat wij het zo in de lucht heffen
dat het almaar lichter wordt – daar zie je het, zie je het nog, nauwelijks,
tegen de zon in?

-- brengen de kleuren waarin het breekt ons misschien naar huis terug.

Peter Verhelst
Uit: Wij totale vlam
 
 
Een gedicht van Henriette Roland Holst

Een gedicht van Henriette Roland Holst
Gedicht van de week ter bemoediging,
uitgezocht door Jan Wolke


 "De zachte krachten zullen zeker winnen".

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind – dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen
 
De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de groote zaligheid beginnen
die w’als onze harten aandachtig luisteren
 
in alle teederheden ruischen hooren
als in kleine schelpen de groote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten
en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten:
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.
 

Henriette Roland Holst
Uit: Verzonken grenzen (1920)
 
 
Een gedicht van Rutger Kopland

Een gedicht van Rutger Kopland
Een gedicht van Rutger Kopland ter bemoediging

“ONDER DE APPELBOOM”

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.

Rutger Kopland
Bundel: Onder het vee (1966)
 
 
gedicht van Gerrit Komrij

gedicht van Gerrit Komrij
Deze week een gedicht van Gerrit Komrij. Het is vandaag (30 maart) zijn geboortedag.
Dit gedicht deed mij even denken aan het gedicht/lied van Bram Vermeulen ('Ik heb een steen gelegd in een rivier op aarde...').
Wie weet komt dat ook nog een keer aan bod.



Alles blijft

Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.
De muur werd afgebroken. -- Van het puin
Werd verderop een fundament gemaakt.
Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.

Die werd geasfalteerd. -- Vijf meter diep
Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.
Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep
Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.

Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,
Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.
Je bent een deel van alles bij je leven
En alles blijft bestaan wanneer je sterft.


Gerrit Komrij (1944-2012)
uit: Luchtspiegelingen (2001)
 
 
Bijdrage Kees Swan

Bijdrage Kees Swan
In Babel treurden wij bij de rivieren.
Aan wilgentakken hingen onze lieren.
Bewakers vroegen met een stem vol spot:
‘Bezing nog eens die stad van jullie God.’
Hoe konden zij dat toch van ons verlangen?
We zaten daar op vreemde grond gevangen!
(Ps 137)
Zoals zoveel mensen , heb ik deze dagen meer tijd om te lezen. Een van de boeken die
door de huidige gebeurtenissen weer opvallend actueel is, is De Pest van Camus. Een
verhaal uit 1947. En veel gebeurtenissen , zoals Camus beschrijft, lijken op wat wij nu
meemaken.
De coronacrisis raakt direct aan de zin van het leven. En voor velen van ons schuilt die
zin juist voor een belangrijk deel in de verbinding. Echt contact maken, er zijn voor
anderen. Dat maakt ons bestaan de moeite waard. En juist hier worden wij door deze
crisis geraakt. Op diverse fronten ervaren wij mensen in deze weken de kwetsbaarheid
van ons bestaan. We hebben vragen over onze gezondheid en die van onze geliefden.
Onze zekerheden op materieel gebied vallen weg. Van de een op de andere dag zijn
velen hun baan kwijt of zien hun bedrijf in rook op gaan. We moeten leven met “ social
distance “ . Terwijl we juist bij elkaar willen zijn om te werken, te wandelen, te feesten
,te omhelzen en te knuffelen.
Voor Camus zijn we zo in een soort “ballingschap” terecht gekomen. Weggerukt uit ons
vertrouwde leven. Zoals indertijd het Joodse volk zich moest bezinnen toen zij in
ballingschap zaten. Misschien schept deze ballingschap ook nu weer kansen om ons te
bezinnen en te reflecteren.
We zien nu misschien meer het belang van collega’s, die we in dagelijkse routine niet
meer ontmoeten. We ervaren de afhankelijkheid van huisgenoten, hulpverleners,
vakkenvullers en vrachtwagenchauffeurs, mensen in de zorg en het onderwijs. Kortom
vraagt deze tijd om een nieuwe solidariteit? Het uitgekozen gedicht zegt het zo : “ Je bent
een deel van alles bij je leven. En alles blijft bestaan wanneer je sterft “.
Of zoals Camus het beschrijft dat de een na de andere hoofdpersoon in de absurditeit
van de pestplaag kiest voor echte medemenselijkheid.
Zo kan ballingschap Pasen worden, bevrijding, leven voor en met elkaar, sterker dan de
dood.